Kerstmis 1991

De novembermaand waarin dit artikeltje zijn geboorte beleefd, is voor het mensengevoel een tijd waarin de deur tussen wereld van de doden en de levenden op een kier staat. Misschien stormt het daarom wel zo! De natuur legt haar in de loop van het jaar gewonnen kleed weer af. Zij neemt een afwachtende houding aan tot de volgende lente. De mensen zien het proces van het doodgaan en opnieuw gaan leven in een vast ritme voorbijtrekken en toch kunnen zij niet zien dat ook het menselijke wezen zo'n ritmische gang van dood en nieuw leven als wetmatigheid in zich draagt. Misschien geloven ze het wel niet! De uitdrukking: zien is geloven, duidt kennelijk niet op zulke eenvoudige situaties. De meeste mensen denken er zelfs zo over dat ze zeggen: 'Je moet eerst geloven voor je kan zien!' Duidelijk is het zo, dat de mensen van deze tijd heel moeilijk in een reŽle wereld van doden kunnen geloven, laat staan dat zij ze zouden kunnen 'zien', d.w.z. waarnemen met het hart. In de geestwerelden waarin de zogenaamde doden verblijven, zo zegt Rudolf Steiner, is de situatie juist omgekeerd aan die in de aardse natuur. Daar is de herfsttijd een tijd van toenemend licht, dat begint te gloren in de MichaŽlstijd en dat op zijn hoogtepunt komt met Kerstmis, als de zon hier op het noordelijk halfrond op zijn diepste punt staat.
In de tijd voor Kerstmis, de advent genaamd, groeit er in het menselijk hart een verwachting, een subtiel verlangen naar het licht. De mensen letten daar niet op natuurlijk, maar het zet zich om in uiterlijk genoegen, gezelligheid, cadeautjes en kaarsen aan bij het warme haardvuur. Nu ja, je moet heel wat afknagen in de buitenwereld om de binnenwereld tot zwijgen te brengen en te denken dat het je maag is die knaagt. Onbegrepen is het, dat het hart tot begrip wil komen, dat het zich opent voor het licht dat uit het hoofd kan komen: het heldere licht van de waarheid.

Sinds het einde van het donker tijdperk in 1899, is Kerstmis niet meer wat het geweest is. Niet langer behoeft het licht zich schuil te houden. Het roept om herkenning in de ziel. Toen het Jezuskind werd geboren, kon dit licht zich alleen vertonen in de uiterlijke zin. Tot in de stoffelijke waarneembaarheid moet het lichtwezen dalen, om de mensen te kunnen bereiken. In de eeuwen daarna was het Kerstfeest steeds een collectieve herbeleving van dat moment dat aan het begin van de jaartelling staat. De mensen vierden Kerstmis in hun stemmige kerken en kathedralen met elkaar zingend en biddend, vanuit een nog niet door het materialistische denken gekneveld hart, dat in het kaarslicht of de beelden van de kribben kon worden ontstoken. Het zien was nog geloven en het geloven bracht tot zien.
Het menselijke bewustzijn is na de zogenaamde Renaissance (vijftiende eeuw) beduidend veranderd. Eerst zien - dan gebruiken, is het motto geworden. De mensen maken zich meester van de materie. Zij raakten gefascineerd door het dode, de lijkenwereld, de wereld waarin de goden niet meer zijn of het menselijke, waaruit de mens zich heeft teruggetrokken, zijn huls achterlatend, worden bij kunstlicht onderzocht. Knap zijn de mensen geworden in het herschrijven en gebruiken van de dode buitenwereld. Maar het levende mensenhart verdort, het hoofd verzilt en de ledematen verkalken bij al die uiterlijke heerlijkheid. Dorstend, smachtend, brandend mensenhart dat niet gevoed kan worden door het zout der aarde, doch alleen door het licht der aarde.

In de Kerstbijeenkomst in 1924 bij de heroprichting van de Antroposofische Vereniging, sprak Rudolf Steiner de grondsteenmeditatie uit gericht tot de harten van de daar aanwezigen en allen die het willen horen, ook mensen! Het laatste deel ervan luidt in het nederlands als volgt:

In de Wending der tijden
Trad het wereld-geestes-licht
In de aardse wezensstroom;
Nacht-duister
Was uitgewerkt;
Daghelder licht
Straalde in mensenzielen;
Licht
Dat verwarmt
De arme herdersharten;
Licht
Dat verlicht
De wijze koningshoofden.

Goddelijk licht,
Christus-zon,
Verwarm
Onze harten,
Verlicht
Onze hoofden,

Dat goed worde
Wat wij
Uit harten stichten,
Wat wij
Uit hoofden
Doelvervuld leiden willen.

Midden in het eerste deel gaat de spreuk over van de verleden in de tegenwoordige tijd. Eerst wordt in de herinnering geroepen de kerstgebeurtenis aan het begin van de jaartelling en vervolgens spreekt hij dan van de moderne kerstervaring: Goddelijk Licht, Christus-Zon verwarm onze harten, verlicht onze hoofden. Daar is het antwoord op het smachten van het hart in deze tijd.
De mensen zullen door het verwarmde hart het hoofd kunnen verlichten maar nu met Christuskracht. Christus wil in deze lichte tijd geboren worden, niet in een groepsgebeuren, maar in iedere individuele ziel die daaraan zelf wil werken. Dan eerst kan het menselijk handelen goed worden, zoals het laatste deel zegt.
De hier afgedrukte spreuk, als ze tenminste klinkt als een gebed vanuit het menselijk hart, kan tot een ware kerstbeleving worden.
Dan zullen wij elkaar met recht kunnen toewensen:

Een gezegend Kerstfeest

Henk Gerbrands

terug naar Artikelen per categorie